ECLI:NL:CRVB:2023:1319
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijzondere bijstand voor huurschuld wegens ontbreken zeer dringende redenen
Appellante vroeg bijzondere bijstand aan voor een huurschuld van €6.737,06, stellende dat zij door gebrek aan inkomsten niet kon voldoen aan de betalingsregeling met de verhuurder en dat huisuitzetting dreigde. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees de aanvraag af omdat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij met haar inkomen niet aan de betalingsregeling kon voldoen en er geen stappen van de verhuurder tot huisuitzetting waren genomen.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. De Raad overwoog dat zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 49, lid 1 onder b van de Participatiewet alleen bestaan als schulden de voorziening in het bestaan bedreigen, bijvoorbeeld door dreigende huisuitzetting. Appellante beschikte echter over middelen om in de noodzakelijke kosten te voorzien en had geen bewijs geleverd van daadwerkelijke dreiging van huisuitzetting.
Ook andere aangevoerde omstandigheden zoals alleenstaand zijn, psychische klachten en zorg voor kleinkinderen, evenals de lastige woningmarkt, werden niet als zeer dringende redenen erkend. De afwijzing van bijzondere bijstand wordt daarom bevestigd en het hoger beroep wordt verworpen.
Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand voor de huurschuld wordt bevestigd wegens ontbreken van zeer dringende redenen.