Appellant, met diverse medische klachten, vroeg bij het college een maatwerkvoorziening aan voor individuele begeleiding en dagbesteding in de vorm van een pgb. Het college wees dit af omdat de beperkingen van appellant worden gecompenseerd door de hulp van zijn echtgenote, die bovengebruikelijke mantelzorg verleent zonder overbelasting.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat de hulp niet als gebruikelijke mantelzorg kan worden aangemerkt en dat zijn echtgenote betaald wil worden voor de ondersteuning. De Raad oordeelde dat de hulp wel degelijk mantelzorg is, voortvloeit uit de sociale relatie en dat het college terecht de aanvraag afwees.
Verder werd een schadevergoeding van €500 toegekend wegens een overschrijding van de redelijke termijn van bijna een half jaar in de rechterlijke fase. De Raad veroordeelde tevens de Staat in de proceskosten van appellant.