Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2022:94

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 januari 2022
Publicatiedatum
13 januari 2022
Zaaknummer
19/3656 WLZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:118 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:57 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep door CIZ

Het CIZ heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Overijssel, maar dit hoger beroep later ingetrokken. Betrokkene verzocht het CIZ te veroordelen in de proceskosten die redelijkerwijs zijn gemaakt in verband met de behandeling van het hoger beroep. De Centrale Raad van Beroep heeft het verzoek beoordeeld zonder zitting, op grond van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

De Raad overweegt dat bij intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan in beginsel een proceskostenveroordeling wordt uitgesproken, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen. Het CIZ stelde dat de intrekking verband hield met eerdere uitspraken van de Raad, maar dit vormt geen bijzondere omstandigheid. Daarom veroordeelt de Raad het CIZ tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene.

De proceskosten worden begroot op € 759,- voor verleende rechtsbijstand en daarnaast worden reiskosten van € 17,40 toegekend. Vergoeding van de eigen bijdrage voor rechtsbijstand wordt afgewezen, omdat deze niet voor vergoeding in aanmerking komt volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht. De uitspraak is gedaan door rechter E.J. Otten en griffier K.R. van Renswoude op 13 januari 2022.

Uitkomst: Het CIZ wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 776,40.

Uitspraak

Datum uitspraak: 13 januari 2022
19/3656 WLZ
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:118 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 18 juli 2019, 18/945 (aangevallen uitspraak)
Partijen:

CIZ

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

CIZ heeft hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 30 september 2021 heeft CIZ het hoger beroep ingetrokken.
Namens betrokkene heeft mr. H.H. Jansen verzocht CIZ te veroordelen in de proceskosten.
CIZ heeft gereageerd op het verzoek om veroordeling in de proceskosten.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:118, eerste lid, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan, het bestuursorgaan op verzoek van een partij bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb kan worden veroordeeld in de proceskosten.
Aangezien de rechtbank in de aangevallen uitspraak een proceskostenveroordeling heeft uitgesproken, staan de Raad nog ter beoordeling de kosten die betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
Volgens CIZ moet een proceskostenveroordeling in hoger beroep achterwege worden gelaten, omdat CIZ aanleiding heeft gezien het hoger beroep in te trekken naar aanleiding van de uitspraken van de Raad van 23 juli 2021 (waaronder ECLI:NL:CRVB:2021:1689).
In geval van intrekking door het bestuursorgaan wordt in beginsel een proceskostenveroordeling uitgesproken. Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden.
In wat CIZ heeft aangevoerd, is geen bijzondere omstandigheid gelegen op grond waarvan een uitzondering moet worden gemaakt.
De Raad ziet daarom aanleiding CIZ te veroordelen in de kosten die betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 759,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
Voor zover betrokkene ook verzoekt om vergoeding van de eigen bijdrage voor de verleende toevoeging van rechtsbijstand, wijst de Raad deze af. In de bijlage bij het Bpb is namelijk een limitatieve opsomming gegeven van de proceshandelingen waarvoor een forfaitaire vergoeding kan worden toegekend. In vergoeding van de te betalen eigen bijdragen is daarbij niet voorzien. Deze kosten komen dan ook niet voor vergoeding in aanmerking.
Omdat het CIZ heeft toegestemd om de reiskosten van € 17,40 in beroep ook te vergoeden, zal de Raad deze kosten toewijzen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bepaalt dat CIZ de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 776,40 vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.J. Otten, in tegenwoordigheid van K.R. van Renswoude als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2022.
(getekend) E.J. Otten
(getekend) K.R. van Renswoude