Uitspraak
21.171 PW
Den Haag
Centrale Raad van Beroep
Appellant en appellante ontvingen bijstand van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. Appellant had een woning op Bonaire die niet was gemeld bij de aanvraag. De Sociale verzekeringsbank meldde dit bezit, waarna het college een onderzoek instelde en de bijstand introk en terugvorderde wegens overschrijding van de vermogensgrens.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit in hoger beroep. De Raad oordeelt dat de inlichtingenverplichting objectief is en dat het niet melden van het bezit van onroerende zaken een schending daarvan is, ongeacht of appellant expliciet naar dit bezit is gevraagd.
De stelling dat de woning onverkoopbaar is en daarom niet meetelt, wordt verworpen omdat appellanten dit niet met verifieerbare stukken onderbouwden. Ook het argument dat appellant mogelijk recht had op een IOAZ-uitkering wordt niet gevolgd omdat dit niet ter beoordeling ligt. De intrekking van de bijstand blijft in stand.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens niet gemeld bezit van een woning op Bonaire wordt bevestigd.