ECLI:NL:CRVB:2022:803
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing ouderdomspensioen tweede echtgenote op grond van NMV
Appellante, tweede echtgenote van een in Nederland werkzame verzekerde, verzocht om een ouderdomspensioen na het bereiken van haar pensioengerechtigde leeftijd. De Sociale verzekeringsbank wees dit af omdat zij zelf nooit in Nederland verzekerd was geweest en niet de eerste echtgenote was op de peildatum 1 november 2004. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en verwees naar beleidsregel SB2183 en eerdere jurisprudentie.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het beleid van de SVB in strijd was met het NMV en dat zij als tweede echtgenote na het overlijden van de eerste echtgenote aanspraak zou moeten kunnen maken op het ouderdomspensioen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het NMV sinds 1 november 2004 alleen toekenning van een zelfstandig ouderdomspensioen aan de eerste echtgenote toestaat die zich vrijwillig heeft verzekerd. Appellante voldeed hier niet aan.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees op eerdere uitspraken die deze uitleg ondersteunen. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling. De beslissing werd uitgesproken door A. van Gijzen op 31 maart 2022.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het ouderdomspensioen aan appellante bevestigd.