ECLI:NL:CRVB:2022:79
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als junior assistent manager, meldde zich ziek met psychische en lichamelijke klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is en wees de uitkering af. In bezwaar en beroep werden aanvullende beperkingen onderzocht, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard.
De rechtbank Amsterdam bevestigde de medische beoordeling en oordeelde dat de geselecteerde functies passend zijn, ondanks appellantes beperkte taal- en computerkennis. In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren, onder meer met een rapport van een eigen verzekeringsarts.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid terecht heeft vastgesteld. De stelling van een urenbeperking op energetische gronden werd niet gevolgd, mede omdat eerdere medische beoordelingen geen aanwijzingen daarvoor gaven. Ook het lagere opleidingsniveau en beperkte ervaring met computers vormen geen belemmering voor de geselecteerde eenvoudige functies. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.