ECLI:NL:CRVB:2022:766
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens ontbreken toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak
Appellante was werkzaam als parkeercontroleur en meldde zich in 2010 ziek. Na een eerdere toekenning van een WGA-uitkering werd deze in 2017 beëindigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. In 2018 meldde zij zich opnieuw met toegenomen rugklachten, maar het UWV weigerde een nieuwe WIA-uitkering toe te kennen omdat de toegenomen beperkingen het gevolg zouden zijn van een andere ziekteoorzaak.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid niet uit dezelfde ziekteoorzaak voortkwam. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen en psychische klachten onvoldoende waren meegewogen en dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd dat de klachten uit een andere oorzaak voortkwamen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het hoger beroep niet slaagt omdat appellante haar standpunt niet met nieuwe medische informatie heeft onderbouwd. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en concludeert dat geen recht op WIA-uitkering is ontstaan omdat er geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde oorzaak.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens het ontbreken van toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak.