Uitspraak
20 2725 WAJONG
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant vroeg een Wajong-uitkering aan vanwege impulsregulatieproblematiek en stemmingsstoornissen, ondersteund door een behandelplan van zijn psychiater en psycholoog. Het UWV wees de aanvraag af op grond van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, omdat appellant arbeidsvermogen zou hebben.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en vond het medisch onderzoek zorgvuldig en volledig. De verzekeringsartsen concludeerden dat appellant één uur aaneengesloten en vier uur per dag belastbaar is, en de arbeidsdeskundige achtte hem in staat tot vakkenvullen en scannen.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn klachten en medicijngebruik onvoldoende zijn meegewogen, en dat hij niet adequaat kan samenwerken of instructies opvolgen. De Raad oordeelde dat de klachten en medicatie zijn betrokken bij de beoordeling, dat appellant geen sufheid meldde bij het spreekuur, en dat de medische informatie geen aanwijzingen gaf voor verminderde belastbaarheid.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant arbeidsvermogen heeft en wijst het hoger beroep af.