ECLI:NL:CRVB:2022:730
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verzet ongegrond tegen niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet-betaling griffierecht
Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam, maar dit hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet was betaald. Appellante stelde verzet in tegen deze beslissing en verzocht tevens om vrijstelling van het griffierecht vanwege haar financiële situatie als zelfstandige met schulden.
De Centrale Raad van Beroep heeft het verzet behandeld en overwogen dat appellante onvoldoende objectieve onderbouwing heeft geleverd waaruit blijkt dat haar netto-inkomen op het moment van betaling lager was dan 95% van de bijstandsnorm en dat zij niet over vermogen beschikte om het griffierecht te voldoen. De door appellante overgelegde stukken, waaronder een uitkeringsspecificatie, een overzicht van schulden en een winst- en verliesrekening, waren onvoldoende concreet en actueel.
De Raad benadrukte dat bij de beoordeling van de vrijstelling rekening wordt gehouden met het inkomen waarover maandelijks kan worden beschikt en met gelegde beslagen, maar niet met niet-objectief onderbouwde schulden. De stellingen over hoge kosten als zelfstandige werden niet met voldoende bewijs ondersteund.
Daarom werd het verzet ongegrond verklaard en bleef de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep in stand. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens niet-betaling van het griffierecht is ongegrond verklaard.