Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2022:675

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 februari 2022
Publicatiedatum
29 maart 2022
Zaaknummer
20/744 WMO15-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij pgb hulp bij huishouden

Appellante beschikte over een persoonsgebonden budget (pgb) voor vijf uur hulp bij het huishouden per week, verstrekt op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Na het aflopen van deze maatwerkvoorziening vroeg zij het college van burgemeester en wethouders van Nieuwegein om een nieuwe toekenning. Het college besloot de pgb voor de periode 13 mei 2019 tot en met 12 juli 2019 op vijf uur per week te stellen en voor de periode 13 juli 2019 tot en met 12 mei 2020 op drieënhalf uur per week.

De rechtbank Midden-Nederland verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond. Appellante stelde hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad stelde ambtshalve de vraag of appellante voldoende procesbelang had bij een inhoudelijke beoordeling van de aangevallen uitspraak, aangezien het geschil betrekking had op een reeds verstreken periode.

Appellante gaf aan dat zij met het hoger beroep beoogde om met terugwerkende kracht een pgb voor vijf uur hulp bij het huishouden per week te verkrijgen. Echter, zij kon niet aantonen dat zij kosten had gemaakt of dat er een betalingsverplichting was ontstaan. Ook was geen ander belang gesteld of gebleken dat een inhoudelijke beoordeling rechtvaardigde. De Raad oordeelde daarom dat er geen procesbelang bestond en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

20.744 WMO15-PV

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 9 januari 2020, 19/3121 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Nieuwegein (college)
Datum uitspraak: 23 februari 2022
Zitting hebben: D.S. de Vries, als voorzitter, en H. Benek en D.A. Verburg, als leden
Griffier: E.J. van der Veldt
Ter zitting zijn verschenen: namens appellante is mr. L.A.M. van der Geld, advocaat, verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M. van der Wielen en T.B.I. Verhagen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Appellante beschikte over een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 voor hulp bij het huishouden voor vijf uur per week, in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Wegens het aflopen van deze maatwerkvoorziening heeft appellante zich bij het college gemeld.
2. Bij besluit van 10 mei 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 juli 2019 (bestreden besluit), heeft het college opnieuw een maatwerkvoorziening voor hulp bij het huishouden in de vorm van een pgb aan appellante verstrekt. De omvang van de hulp bij het huishouden over de periode van 13 mei 2019 tot en met 12 juli 2019 heeft het college bepaald op vijf uur per week. Over de periode van 13 juli 2019 tot en met 12 mei 2020 is de omvang van deze hulp bepaald op drieënhalf uur per week.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
4. Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
5. De Raad ziet zich ambtshalve gesteld voor de vraag of appellante procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de aangevallen uitspraak.
6. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 8 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:887) is pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het instellen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een periode die al verstreken is, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade is geleden.
7. Daarnaar gevraagd heeft appellante toegelicht dat zij met het hoger beroep wil bereiken dat aan haar met terugwerkende kracht een pgb voor vijf uur hulp bij het huishouden per week wordt verstrekt.
8. Het geschil gaat over de beoordeling van een al verstreken periode. Appellante heeft niet kunnen toelichten dat zij kosten heeft gemaakt. Dat is ook verder niet uit het dossier gebleken. Bovendien is niet gebleken dat een betalingsverplichting vanwege geleverde huishoudelijke ondersteuning is ontstaan. Verder is niet gesteld of gebleken van enig ander te respecteren belang bij beoordeling van de aangevallen uitspraak. Onder deze omstandigheden valt niet in te zien dat appellante procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter van de meervoudige kamer
(getekend) M.E. van Donk (getekend) D.S. de Vries
Voor eensluidend afschrift
de griffier van de
Centrale Raad van Beroep