ECLI:NL:CRVB:2022:672
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herstel gebrekkige motivering UWV-besluit over arbeidsongeschiktheid en WIA-uitkering
Appellante is sinds 22 december 2017 ziek gemeld met psychische klachten en heeft een WIA-uitkering aangevraagd. Het UWV stelde haar arbeidsongeschiktheid op minder dan 35% vast en weigerde de uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was.
In hoger beroep betoogde appellante dat het onderzoek onzorgvuldig was, onder meer omdat informatie van de huisarts over behandeling bij de POH-GGZ ontbrak en dat haar psychische en cognitieve beperkingen onvoldoende waren meegenomen. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het onderzoek zorgvuldig was, mede omdat de huisartsgegevens inclusief POH-GGZ-contacten waren overgelegd.
De Raad volgde de conclusies van het uitgebreide psychodiagnostisch onderzoek van Van Arkel uit november 2021 over cognitieve beperkingen van appellante. De stelling van de verzekeringsarts dat sprake was van simulatie of aggravatie werd verworpen. De Raad oordeelde echter dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke medische grondslag is gebaseerd en dat de motivering, met name over een mogelijke urenbeperking, gebrekkig is.
Daarom draagt de Raad het UWV op het besluit binnen zes weken te herstellen, waarbij de verzekeringsarts de cognitieve beperkingen uit het psychodiagnostisch onderzoek moet vertalen naar beperkingen in de functionele mogelijkhedenlijst (FML) en nader moet motiveren of een urenbeperking aan de orde is. Het UWV moet ook beoordelen of arbeidskundig onderzoek aanleiding geeft tot een nieuwe beslissing op bezwaar.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het besluit over arbeidsongeschiktheid en WIA-uitkering binnen zes weken te herstellen vanwege gebrekkige medische grondslag en motivering.