De zaak betreft een beroep van appellant tegen het besluit van het college van bestuur van de Universiteit Leiden over de compensatie van pensioenschade na beëindiging van een uitkering op grond van de Bovenwettelijke Werkloosheidsregeling Nederlandse Universiteiten 2014. De rechtbank en de Raad hadden eerder geoordeeld dat het college verboden onderscheid naar leeftijd had gemaakt en het college opgedragen een nieuwe beslissing te nemen.
Het college kende appellant een bruto bedrag van € 8.107 toe, later verhoogd naar € 8.810 op basis van een berekening door een actuaris. In geschil was of deze bruto compensatie voldeed aan de netto aanspraak van € 12.508,80, berekend op basis van een correcte sterfteleeftijd van 86,33 jaar. De Raad oordeelde dat het bruto bedrag onzorgvuldig was vastgesteld, omdat het lager was dan het netto bedrag, wat niet mogelijk is na inhouding van loonbelasting.
De Raad vernietigde het besluit voor zover het de bruto compensatie betreft en bepaalde dat het college het bruto equivalent van het netto bedrag van € 12.508,80 moet betalen. Verder wees de Raad het verzoek om vergoeding van advieskosten en een dwangsom af. Het betaalde griffierecht werd aan appellant vergoed.