ECLI:NL:CRVB:2022:585
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzoek tot herziening beëindiging Ziektewetuitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant, voormalig assistent-accountant, meldde zich ziek per 8 april 2015 en ontving een Ziektewetuitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per 7 mei 2016 omdat appellant naar oordeel van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen. Appellant verzocht om herziening, maar dit werd door het UWV afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.
De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat de ingediende medische stukken geen nieuwe feiten bevatten en de functionele mogelijkhedenlijst (FML) correct was opgesteld inclusief een urenbeperking. Ook de diagnose erythema migrans werd niet als nieuw feit erkend omdat het laboratorium PAMM geen klinische diagnose stelt en de huisartsgegevens geen bevestiging gaven.
In hoger beroep voerde appellant opnieuw aan dat een verdere urenbeperking had moeten worden aangenomen en dat zijn mictieklachten werkhervatting belemmerden. Hij overhandigde nieuwe medische informatie van een chiropractor. De Raad volgde het oordeel van de rechtbank dat deze argumenten geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden vormen en dat het besluit van het UWV niet evident onredelijk is.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de beëindiging van de Ziektewetuitkering wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.