ECLI:NL:CRVB:2022:54
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na toetsing belastbaarheid bevestigd
Appellant was servicemedewerker en meldde zich in mei 2014 ziek. Na diverse beoordelingen en medische onderzoeken beëindigde het UWV in 2016 zijn Ziektewetuitkering omdat hij meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen in andere functies. In 2019 werd de uitkering opnieuw beëindigd na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en bezwaarprocedure, waarbij het UWV oordeelde dat appellant geschikt was voor bepaalde functies.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze beëindiging ongegrond, stellende dat er geen verergering van zijn psychische en lichamelijke klachten was en dat de medische informatie dit niet ondersteunde. Appellant stelde in hoger beroep dat zijn klachten waren toegenomen, onderbouwd met nieuwe medische verklaringen van een GZ-psycholoog, huisarts en fysiotherapeut.
De Raad oordeelde dat het onderzoek van het UWV zorgvuldig was en dat de medische informatie geen objectieve toename van beperkingen aantoonde ten opzichte van de situatie in 2016. De diagnose ernstige depressie in 2020 impliceerde niet dat de beperkingen op de datum in geding waren onderschat, mede omdat eerdere beoordelingen ook van ernstige depressie uitgingen. De rugklachten werden bevestigd als tendomyogeen zonder aanwijzingen voor verergering. De astma leverde geen extra beperkingen op volgens de verzekeringsarts.
De Raad concludeerde dat de belastbaarheid op de datum in geding vergelijkbaar was met die in 2016 en dat appellant geschikt was voor ten minste één van de geselecteerde functies. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Ziektewetuitkering van appellant terecht is beëindigd per 13 maart 2019.