ECLI:NL:CRVB:2022:524
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging nabestaandenuitkering wegens kostendelersnorm bij mantelzorgsituatie
Appellante ontvangt sinds 2012 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene Nabestaandenwet (ANW). De Sociale verzekeringsbank (Svb) heeft de uitkering over april tot en met december 2018 verlaagd naar 50% van het minimumloon, omdat appellante in die periode met haar vier kinderen op het adres van haar ouders woonde en daarmee met ten minste één kostendeler samenwoonde. Appellante had deze wijziging van haar hoofdverblijf niet gemeld.
De Svb heeft het te veel betaalde bedrag van € 2.879,58 bruto teruggevorderd. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen deze terugvordering ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de kostendelersnorm ook geldt bij samenwoning vanwege mantelzorg. Appellante stelde dat de kostendelersnorm niet toegepast had mogen worden vanwege haar mantelzorgsituatie en dat zij financieel zwaar getroffen zou worden door de terugvordering.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de kostendelersnorm dwingendrechtelijk is en ook geldt bij mantelzorgsituaties, zoals bevestigd in de wetsgeschiedenis. Het feit dat appellante de kosten niet daadwerkelijk deelt, is niet relevant; het gaat om de mogelijkheid tot kosten delen. Ook financiële problemen bieden geen grond om van de kostendelersnorm af te wijken. De terugvordering is terecht en er zijn geen dringende redenen om hiervan af te zien. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De verlaging van de nabestaandenuitkering en de terugvordering van het te veel betaalde bedrag worden bevestigd.