ECLI:NL:CRVB:2022:523
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontvankelijkheid bezwaar tegen besluit omzetting prestatiebeurs in gift
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van 7 januari 2019 waarbij 48 maanden studiefinanciering werden omgezet in een gift, waardoor zijn studieschuld werd verlaagd. De minister verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het bezwaar betrekking had op een lening die niet in dat besluit was behandeld.
De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat het bezwaar niet-ontvankelijk was vanwege gebrek aan motivering, maar vernietigde dat besluit en gaf de minister opdracht opnieuw te beslissen. Bij het nieuwe besluit verklaarde de minister het bezwaar opnieuw niet-ontvankelijk, wat door de rechtbank werd bevestigd.
In hoger beroep stelde appellant dat het bezwaar ontvankelijk moest worden verklaard omdat het besluit een besluit in de zin van de Awb is en hij belang heeft bij beoordeling van de rechtmatigheid. De Raad oordeelde dat het bezwaar niet ontvankelijk is omdat het besluit alleen ziet op omzetting van prestatiebeurs in gift en niet op de lening, waartegen het bezwaar feitelijk was gericht.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het besluit van 7 januari 2019 is terecht niet-ontvankelijk verklaard en het hoger beroep wordt afgewezen.