Uitspraak
20 3231 WIA
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
R. van der Heide als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2022.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, voormalig secretaresse, was sinds 2004 arbeidsongeschikt en ontving een WGA-uitkering. Na een herbeoordeling in 2018 stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 55 tot 65%, later bij bezwaar verhoogd naar 65 tot 80%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze vaststelling ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was, dat haar beperkingen, met name aan handen en vingers, werden onderschat en dat het beginsel van equality of arms werd geschonden doordat geen onafhankelijk medisch deskundige werd benoemd. Tevens stelde zij onvoldoende financiële middelen te hebben voor eigen deskundigen.
De Raad oordeelde dat het UWV zorgvuldig onderzoek had verricht, waarbij ook medische informatie van de huisarts was betrokken. Er was geen sprake van schending van het equality of arms-beginsel, aangezien appellante voldoende gelegenheid had gehad om medische informatie aan te dragen en te betwisten. De klachten aan handen en vingers waren medisch onderzocht en niet onderbouwd met nieuwe informatie. Het beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80% wordt bevestigd.