Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2022:390

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 februari 2022
Publicatiedatum
1 maart 2022
Zaaknummer
21/1155 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:119 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om herziening van bestuursrechtelijke uitspraak niet-ontvankelijk wegens laattijdigheid

Appellant heeft bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) bezwaar gemaakt tegen een afwijzende beslissing over zijn recht op een WAO-uitkering. Dit bezwaar werd ongegrond verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank Amsterdam, die dit beroep niet-ontvankelijk verklaarde omdat appellant geen gronden van beroep had ingediend.

Appellant verzocht later om herziening van deze uitspraak, stellende dat zijn rechten ontnomen waren. De rechtbank wees dit verzoek af. De Centrale Raad van Beroep overweegt dat herziening slechts mogelijk is op grond van nieuwe feiten en omstandigheden die voorheen niet bekend waren en die tot een andere uitspraak zouden kunnen leiden.

Omdat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden (nova) heeft gesteld en het verzoek meer dan een jaar na de uitspraak is ingediend, is het verzoek onredelijk laat. Daarom verklaart de Raad het verzoek niet-ontvankelijk en vernietigt de aangevallen uitspraak. Het betaalde griffierecht wordt aan appellant terugbetaald.

Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onredelijke laattijdigheid.

Uitspraak

21/1155 WAO
Datum uitspraak: 17 februari 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 februari 2021, 20/5412 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats], Marokko (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het hoger beroep is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 6 januari 2022, waar partijen niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij besluit van 15 februari 2018 heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen een afwijzende beslissing op zijn verzoek om een besluit van 23 juli 1996 over zijn recht op een uitkering grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering te herzien. Hiertegen heeft appellant bij de rechtbank beroep ingesteld. Dit beroep heeft de rechtbank bij uitspraak van 10 augustus 2018 niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellant geen gronden van beroep heeft ingediend.
1.2.
Bij brief van 14 juli 2020 heeft appellant de rechtbank verzocht de uitspraak van 10 augustus 2018 te herzien. Als reden voor zijn verzoek heeft appellant opgegeven: “omdat u mij op basis van het vonnis dat uw eerbiedwaardige rechtbank genomen heeft, mijn rechten heeft ontnomen”.
2.1.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank afwijzend beslist op dit verzoek.
3. De Raad overweegt als volgt.
3.1.
Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren ze bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
3.2.
Gelet op de uitspraken van de Raad van 20 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1055, en van 21 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4060, moet in het belang van de rechtseenheid voorop worden gesteld, dat van degene die om herziening vraagt van een uitspraak mag worden verlangd dat hij niet onredelijk lang wacht met de indiening van dat verzoek. Een onredelijk laat ingediend herzieningsverzoek moet niet-ontvankelijk worden verklaard.
3.3.
Een verzoek om herziening wordt in de regel geacht onredelijk laat te zijn ingediend, indien het verzoek is ingediend meer dan een jaar nadat de indiener bekend is geworden met de daarin gestelde nieuwe feiten en omstandigheden (nova) dan wel, indien geen nova zijn gesteld, als het is ingediend meer dan een jaar na de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht.
3.4.
De hiervoor in 3.3 geformuleerde regel geldt niet voor het indienen van een verzoek om herziening van een uitspraak over een bestuurlijke boete. Een dergelijk verzoek is niet aan de in 3.3 vermelde termijn van één jaar gebonden.
3.5.
In deze zaak, die geen betrekking heeft op een uitspraak over een bestuurlijke boete, zijn bij het herzieningsverzoek geen nova gesteld en is het herzieningsverzoek meer dan één jaar na de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht ingediend. Daarom moet worden geoordeeld dat het verzoek om herziening onredelijk laat is ingediend.
3.6.
Wat in 3.2 tot en met 3.5 is overwogen brengt mee dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het verzoek van appellant alsnog niet-ontvankelijk verklaren. Het betaalde griffierecht in hoger beroep zal door de griffier van de Raad worden terugbetaald.
3.7.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het verzoek om herziening niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat de griffier van de Raad het betaalde griffierecht van € 134,- aan appellant terugbetaalt.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van E.X.R. Yi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2022.
(getekend) J.P.M. Zeijen
(getekend) E.X.R. Yi