Uitspraak
21.1803 WIA
mr. W.P.F. Oosterbos.
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, laatstelijk werkzaam als administratief medewerkster, meldde zich in februari 2018 ziek met lichamelijke klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV werd afgewezen na herbeoordeling waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 13,17%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat de functies die appellante zou kunnen vervullen medisch passend waren.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het medisch onderzoek onvoldoende was, met name voor haar psychische klachten zoals ADD, en dat zij bepaalde functies niet kon uitvoeren vanwege beperkingen aan haar handen. De Raad oordeelde dat verzekeringsartsen bevoegd zijn om deze klachten te beoordelen en dat appellante onvoldoende medische onderbouwing leverde. Ook de functies bleken passend.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank en het UWV dat appellante niet arbeidsongeschikt genoeg is voor een WIA-uitkering. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bekrachtigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.