ECLI:NL:CRVB:2022:354
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA bevestigd
Appellant, die een WIA-uitkering ontving, betwistte de vaststelling van zijn mate van arbeidsongeschiktheid door het UWV. Na meerdere besluiten en bezwaarprocedures werd de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op circa 75%. Appellant voerde aan dat het medisch onderzoek onvoldoende rekening hield met zijn aandoening neurofibromatose en de daaruit voortvloeiende beperkingen.
De rechtbank had eerder geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat het UWV de functionele mogelijkheden van appellant correct had vastgesteld. Appellant leverde in hoger beroep aanvullend medisch bewijs, waaronder een rapport van een klinisch geneticus en een verwijsbrief van de specialistische GGZ, en verzocht om benoeming van een medisch deskundige.
De Centrale Raad van Beroep volgde het oordeel van de rechtbank en het UWV. De Raad stelde vast dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig en volledig was uitgevoerd, dat appellant voldoende gelegenheid had gehad om zijn standpunten te onderbouwen, en dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van januari 2020 adequaat rekening hielden met zijn klachten en aandoeningen. De Raad wees het verzoek om benoeming van een deskundige af en bevestigde het bestreden besluit.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant juist is vastgesteld en verklaart het hoger beroep ongegrond.