ECLI:NL:CRVB:2022:351
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling WIA-dagloon en eerste arbeidsongeschiktheidsdag zonder medische afzakker
Appellante was werkzaam als longfunctie analiste voor 32 uur per week en meldde zich op 24 september 2015 arbeidsongeschikt. Het UWV kende haar een IVA-uitkering toe vanaf die datum, met een dagloon vastgesteld op basis van de referteperiode 1 september 2014 tot 1 september 2015. Appellante voerde aan dat zij als medische afzakker moest worden aangemerkt omdat zij per 1 maart 2014 om medische redenen haar werkuren had teruggebracht van 36 naar 32 uur, waardoor de eerste arbeidsongeschiktheidsdag eerder zou liggen en het dagloon hoger vastgesteld moest worden.
De rechtbank en de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat er onvoldoende medische onderbouwing was voor de aanpassing van de uren op medische gronden. Er was geen advies of aanwijzing van een arts of bedrijfsarts die een medische noodzaak tot vermindering van uren bevestigde. De medische klachten waren wel aanwezig maar niet zodanig ernstig dat zij per 1 maart 2014 arbeidsongeschikt was of haar uren om medische redenen had moeten verminderen.
De Raad volgde het UWV en de rechtbank in het standpunt dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag terecht is vastgesteld op 24 september 2015. De referteperiode en het dagloon zijn op juiste gronden vastgesteld volgens de geldende wet- en regelgeving. Het beroep van appellante wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag 24 september 2015 is en dat het WIA-dagloon correct is vastgesteld zonder medische afzakker.