ECLI:NL:CRVB:2022:340
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ZW-uitkering en weigering WIA-uitkering wegens niet voltooide wachttijd
Appellante was werkzaam als algemeen medewerker en viel op 2 januari 2017 uit. Zij ontving eerst een WW-uitkering en vanaf 6 februari 2017 een ZW-uitkering. Na een medisch en arbeidskundig onderzoek concludeerde het Uwv dat appellante in staat was meer dan 65% van haar maatmaninkomen te verdienen. Het Uwv beëindigde daarom de ZW-uitkering per 14 december 2018 en weigerde een WIA-uitkering toe te kennen omdat de wachttijd van 104 weken niet was voltooid.
Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar het Uwv verklaarde deze ongegrond. De rechtbank Oost-Brabant oordeelde eveneens dat de medische en arbeidskundige beoordelingen zorgvuldig waren en dat de beperkingen van appellante niet zodanig waren dat zij niet kon werken. Appellante stelde in hoger beroep dat haar psychische klachten werden onderschat en verzocht om een onafhankelijke deskundige, maar de Raad volgde dit niet.
De Raad bevestigde dat de medische rapporten voldoende gemotiveerd en inzichtelijk waren en dat het Uwv terecht de ZW-uitkering had beëindigd en de WIA-uitkering geweigerd. De informatie over de gezondheidssituatie na de datum van het besluit kon niet tot een ander oordeel leiden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De ZW-uitkering is terecht beëindigd en de WIA-uitkering terecht geweigerd wegens niet voltooide wachttijd.