Uitspraak
21.1996 AW
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam bij het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, had op grond van het FLO-overgangsrecht aanspraken op vervroegd uittreden. In 2009 kreeg hij op basis van een maatwerkafspraak extra aanspraken toegekend. Met de intrekking van de FLO-regeling en de invoering van de regeling SBF 2015 werd de vermenigvuldigingsfactor voor de berekening van de aanspraken gewijzigd van 2 naar 1.
Appellant stelde dat deze wijziging in strijd was met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, omdat hij op grond van de eerdere toekenning mocht vertrouwen op ongewijzigde aanspraken. De Raad oordeelde dat toekomstige aanspraken aan verandering onderhevig kunnen zijn en dat geen sprake was van een terugwerkende kracht of onrechtmatige wijziging.
De Raad verwees naar vaste rechtspraak dat een belanghebbende niet zonder meer mag vertrouwen op ongewijzigde regelgeving en dat de minister niet verplicht is compensatie te bieden voor nadelige gevolgen van gewijzigde regelgeving. De individuele maatwerkafspraak uit 2009 werd gerespecteerd, maar de wijziging van de vermenigvuldigingsfactor was rechtmatig.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de wijziging van de vermenigvuldigingsfactor in de regeling SBF 2015 bevestigd.