Uitspraak
hoefteen werknemer vanzelfsprekend geen beëindigingsovereenkomst aan te gaan. Een dergelijke overeenkomst zal in beginsel slechts tot stand komen indien de werknemer het idee heeft dat dat voor hem financieel of anderszins aantrekkelijk is. De verwachting daarbij is dat van het recht op een transitievergoeding reflexwerking zal uitgaan. Gelet op voorgaande zullen de gevolgen van een beëindigingsovereenkomst ten aanzien van de daarbij aan werknemer toe te kennen vergoeding dan ook doorgaans niet verschillen van de gevolgen van schriftelijke instemming met de opzegging tenzij partijen daar bewust voor kiezen.” [2]