ECLI:NL:CRVB:2022:2816
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in sociaal zekerheidszaak
In deze zaak heeft appellante hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van het UWV. Tijdens de procedure heeft het UWV op 2 juni 2022 een gewijzigde beslissing genomen die volledig tegemoetkomt aan de bezwaren van appellante. Naar aanleiding hiervan heeft appellante het hoger beroep op 7 juli 2022 ingetrokken en verzocht om veroordeling van het UWV in de proceskosten en om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Raad heeft het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en de procedure gesloten. De Raad oordeelt dat het UWV terecht in de proceskosten wordt veroordeeld, begroot op in totaal €3.415,50 voor zowel de beroeps- als hoger beroepsfase. Voor de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn stelt de Raad vast dat de procedure vanaf ontvangst van het bezwaarschrift op 13 maart 2016 tot het tegemoetkomend besluit ruim zes jaar heeft geduurd, terwijl de redelijke termijn voor een dergelijke procedure maximaal vier jaar bedraagt.
De Raad concludeert dat de redelijke termijn met ruim twee jaar is overschreden, wat leidt tot een vergoeding van €2.500,- aan appellante. Tevens veroordeelt de Raad de Staat tot vergoeding van de proceskosten van appellante ter zake van het verzoek om schadevergoeding, begroot op €379,50. De uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins en uitgesproken op 22 december 2022.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten en de Staat tot vergoeding van €2.500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.