Uitspraak
21.4547 ANW, 22/207 ANW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 30 december 2021 ongegrond.
Centrale Raad van Beroep
De zaak betreft een hoger beroep van appellante tegen de herziening en terugvordering van haar nabestaandenuitkering door de Sociale Verzekeringsbank (Svb). Na het overlijden van haar echtgenoot in 2016 ontving appellante een nabestaandenuitkering die later werd herzien vanwege hogere inkomsten dan aanvankelijk bekend. De Svb vorderde een terugbetaling van te veel ontvangen uitkeringen.
De rechtbank had de herziening met terugwerkende kracht gematigd tot de helft, omdat zowel appellante als de Svb verwijten troffen in het ontstaan van de herziening. Tevens werd de Svb veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht, die vervolgens werden verrekend met de terugvordering.
Appellante voerde aan dat zij al haar verplichtingen was nagekomen en dat de fout bij de Svb lag, mede vanwege haar psychische toestand. De Raad oordeelde dat appellante had kunnen onderkennen dat zij een te hoge uitkering ontving en dat de Svb een fout maakte door niet tijdig te informeren. De gematigde herziening was passend. Dringende redenen om niet terug te vorderen waren niet aannemelijk. De verrekening van proceskosten was gegrond. De Raad bevestigde de uitspraak en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de gematigde herziening en terugvordering van de nabestaandenuitkering en verklaart het beroep ongegrond.