ECLI:NL:CRVB:2022:2565
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering te veel betaalde WIA-toeslag ondanks beroep op legitieme verwachting
Appellante ontving vanaf 2012 een WIA-uitkering met toeslag, die vanaf 2016 als voorschot werd toegekend op basis van geschatte inkomsten. Later bleek dat appellante hogere inkomsten had dan geschat, waardoor zij te veel toeslag ontving. Het UWV besloot dit bedrag terug te vorderen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat terugvordering op grond van nationaal recht verplicht is en niet in strijd is met het eigendomsrecht uit artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM. Appellante stelde in hoger beroep dat zij een legitieme verwachting had dat het voorschot definitief was en dat terugvordering disproportioneel is, mede vanwege haar psychische kwetsbaarheid.
De Raad oordeelde dat appellante te goeder trouw was en haar inlichtingenplicht had nageleefd, maar dat zij zich bewust was van het voorlopige karakter van het voorschot en de mogelijkheid van verrekening. Gezien haar hogere inkomsten had zij geen legitieme verwachting dat het voorschot definitief was. De terugvordering vormt daarom geen inbreuk op een beschermd eigendomsrecht en kan in stand blijven. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: De terugvordering van het te veel betaalde voorschot van €5.396,36 wordt bevestigd omdat geen legitieme verwachting bestond dat het voorschot definitief was.