ECLI:NL:CRVB:2022:2545

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 november 2022
Publicatiedatum
29 november 2022
Zaaknummer
20/1411 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep en proceskostenveroordeling tegen UWV

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam inzake een sociale zekerheidszaak. Het UWV nam op 29 juni 2022 een gewijzigde beslissing op bezwaar waarmee het geheel tegemoetkwam aan de bezwaren van appellant. Naar aanleiding hiervan trok appellant op 14 juli 2022 het hoger beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding.

De Raad stelde vast dat het onderzoek ter zitting achterwege kon blijven, conform artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De Raad oordeelde dat er geen reden was voor vergoeding van kosten voor rechtsbijstand in bezwaar en beroep, omdat appellant deze zelf had verricht. Wel werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die appellant redelijkerwijs had moeten maken voor de behandeling van het hoger beroep.

De proceskosten werden begroot op €759,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor het betaalde griffierecht kon appellant zich rechtstreeks tot het UWV wenden. De uitspraak werd gedaan door S.B. Smit-Colenbrander op 16 november 2022.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van €759,- aan proceskosten aan appellant na intrekking van het hoger beroep.

Uitspraak

Datum uitspraak: 16 november 2022
20/1411 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 maart 2020, 19/2389 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft Y.M. Venderbos, werkzaam bij ARAG, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft op 29 juni 2022 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Op 14 juli 2022 heeft Venderbos namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft in een brief van 9 augustus 2022 laten weten geen bezwaar te hebben tegen de door appellant gevraagde proceskostenveroordeling.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellant is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 29 juni 2022 volledig aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen.
Voor een vergoeding van kosten in verband met rechtsbijstand in bezwaar en in beroep bestaat geen aanleiding, omdat appellant destijds zelf bezwaar heeft gemaakt en beroep heeft ingesteld.
De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op
€ 759,- ( 1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift) in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellant zich rechtstreeks tot het Uwv wenden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 759,-.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van H. Alajai als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 november 2022.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) H. Alajai