ECLI:NL:CRVB:2022:2532
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid WIA-uitkering
Appellante is sinds 2008 arbeidsongeschikt als gevolg van lichamelijke klachten en ontvangt sinds 2010 een WIA-uitkering. In 2019 heeft het UWV haar mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 45 tot 55%, wat neerkomt op 51,49%. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit en voerde onder meer psychische verslechtering en oogklachten aan.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen adequaat waren vastgesteld. De medische stukken overgelegd door appellante betroffen een latere datum en konden het oordeel niet wijzigen.
In hoger beroep herhaalde appellante haar klachten, maar de Raad oordeelde dat het UWV geen aanleiding had om het eerdere standpunt te wijzigen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep motiveerde overtuigend dat er geen objectiveerbare gegevens waren die tot andere beperkingen leidden. De functies waarop de arbeidsongeschiktheid was gebaseerd, waren medisch geschikt bevonden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: Hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vaststelling van 51,49% arbeidsongeschiktheid door het UWV wordt bevestigd.