ECLI:NL:CRVB:2020:2069
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid op 51,48% door UWV
Appellante is sinds 2008 arbeidsongeschikt door lichamelijke klachten en heeft vanaf 2010 een WGA-uitkering ontvangen. In 2017 heeft het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid herbeoordeeld en vastgesteld op 51,48%, waarbij zowel psychische als lichamelijke beperkingen zijn meegewogen.
Appellante maakte bezwaar tegen deze vaststelling en voerde aan dat er onvoldoende rekening was gehouden met haar beperkingen, waaronder haar borderline persoonlijkheidsstoornis en agressiedisregulatie. Ook stelde zij dat het UWV onvoldoende informatie had ingewonnen bij haar behandelaars.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het UWV zorgvuldig onderzoek had verricht, waarbij de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen adequaat had vastgesteld. De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en bevestigde de uitspraak, waarbij werd benadrukt dat er geen medische gronden zijn om meer beperkingen aan te nemen en dat de functionele mogelijkheden correct zijn vastgesteld.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de arbeidsongeschiktheid van appellante terecht is vastgesteld op 51,48%.