ECLI:NL:CRVB:2022:2530
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na eerstejaarsbeoordeling met voldoende medische en arbeidskundige grondslag
Appellant was werkzaam als productiemedewerker en meldde zich ziek met nek- en rugklachten. Na beëindiging van het dienstverband kende het UWV een Ziektewetuitkering toe. Bij de eerstejaarsbeoordeling werd vastgesteld dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen met aangepaste functies, waarna de uitkering werd beëindigd.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, waarbij een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige het oordeel bevestigden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat de geselecteerde functies passend waren.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen, met name aan zijn linkerschouder door een ongeluk, onvoldoende werden meegewogen en dat er sprake was van schending van equality of arms omdat hij geen onafhankelijke deskundige kon inschakelen. De Raad volgde dit niet, stelde dat de medische beoordeling voldoende was onderbouwd, dat appellant geen nieuwe medische stukken had overgelegd en dat het recht op equality of arms niet was geschonden.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien tot het toewijzen van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering en verklaart het hoger beroep ongegrond.