ECLI:NL:CRVB:2022:2487
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na beoordeling arbeidsongeschiktheid commercieel medewerker
Appellant was sinds 1 juni 2011 directeur bij een bedrijf en meldde zich op 4 januari 2016 ziek. Het UWV weigerde een WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid per 1 januari 2018. Na een nieuwe ziekmelding in april 2018 kreeg appellant een Ziektewetuitkering toegekend, die later per september 2018 werd beëindigd omdat hij als arbeidsgeschikt werd beschouwd.
Appellant begon op 4 september 2018 als commercieel medewerker, maar meldde zich op 6 september ziek. Het UWV stelde op 21 februari 2019 vast dat hij per 25 februari 2019 weer arbeidsgeschikt was. De ZW-uitkering werd heropend, maar later gecorrigeerd met een brief van 3 mei 2019 waarin deze heropening werd ingetrokken wegens een fout van het UWV.
De rechtbank oordeelde dat de brief van 3 mei 2019 een besluit was en bevestigde dat appellant per 25 februari 2019 geschikt was voor zijn werk. De Raad onderschrijft dit oordeel en wijst het beroep van appellant af. De Raad stelt dat de beoordeling door een verzekeringsarts correct was en dat appellant onvoldoende medische informatie heeft overgelegd die een toename van beperkingen aantoont.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellant is terecht beëindigd per 25 februari 2019 omdat hij geschikt werd geacht voor zijn functie als commercieel medewerker.