Uitspraak
20 3035 PW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
€ 400,- aan woonlasten per maand heeft en dat hij geen inkomsten heeft. In het intakerapport van 14 augustus 2015 van de klantmanager staat dat de maandelijkse huur van appellant € 1.051,- bedraagt.
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft vanaf 17 juli 2015 bijstand ontvangen op basis van de Participatiewet. Tijdens de aanvraag en de daaropvolgende periode heeft appellant verhuurinkomsten van een bovenverdieping niet gemeld, evenals aanzienlijke bijschrijvingen en stortingen op zijn bankrekening.
Na een onderzoek door de gemeente Amsterdam, waarbij ook bankgegevens en huurgegevens werden opgevraagd, bleek dat appellant grote sommen geld ontving die niet verklaard konden worden door de huurinkomsten alleen. Appellant gaf aan dat het om leningen van familie en vrienden ging, maar kon dit niet onderbouwen met documenten. Ook bleek dat hij adressen huurde met een valse werkgeversverklaring.
Het college trok de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde de te veel ontvangen bijstand terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant onder meer aan dat het college eerder op de hoogte had moeten zijn en dat de terugvordering te lang was. De Raad oordeelde dat appellant zijn inlichtingenverplichting had geschonden, het college verplicht was tot intrekking en terugvordering, en dat de termijn van terugvordering correct was toegepast. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd vanwege het niet melden van verhuurinkomsten en stortingen.