ECLI:NL:CRVB:2022:2325
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van kinderalimentatie als middel bij herziening bijstand alleenstaande ouder
In deze zaak gaat het om de herziening van de bijstand van appellante over mei en juni 2020, waarbij het bestuur de ontvangen kinderalimentatie voor haar minderjarige kind in mindering bracht op de bijstand. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante dat de bijstandsnorm voor alleenstaande ouders gelijk is aan die voor alleenstaanden en dat kinderalimentatie bedoeld is voor het kind, zodat deze niet als haar middel mag worden gerekend.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Volgens de Participatiewet (PW) vormen appellante en haar minderjarige kind een gezin en worden alle middelen van minderjarige kinderen die tot het gezin behoren, voor zover niet uitgesloten, tot de middelen van het gezin gerekend. Omdat kinderalimentatie niet is uitgesloten, is het terecht dat het bestuur deze als middel heeft aangemerkt.
De Raad wijst erop dat sinds de invoering van de Wet hervorming kindregelingen de bijstandsnorm voor alleenstaande ouders gelijk is aan die voor alleenstaanden, maar dat inkomensondersteuning voor alleenstaande ouders wordt verleend via een toeslag in het kindgebonden budget. Het feit dat appellante het onrechtvaardig vindt dat zij evenveel bijstand ontvangt als een alleenstaande zonder kinderen, betekent niet dat het bestuur onrechtmatig heeft gehandeld. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat kinderalimentatie als middel wordt gerekend bij de herziening van bijstand voor alleenstaande ouders.