ECLI:NL:CRVB:2022:2280
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens ontbreken toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig postsorteerder, ontving vanaf 2012 een WGA-uitkering wegens 100% arbeidsongeschiktheid. In 2014 werd deze beëindigd omdat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg. Na een ziekmelding in 2014 en een nieuwe beoordeling in 2015 werd het recht op WIA-uitkering opnieuw ontzegd. Appellant stelde in 2019 dat zijn gezondheid was verslechterd en verzocht om herleving van de WIA-uitkering.
Het UWV stelde na medisch onderzoek vast dat de klachten sinds 2019 geen toename van beperkingen gaven ten opzichte van 2014. De verzekeringsarts bezwaar en beroep ondersteunde dit oordeel, waarbij ook informatie van diverse behandelaars werd betrokken. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn stelling dat zijn psychische klachten waren verergerd, maar de Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en het UWV. De Raad vond geen aanleiding tot het inschakelen van een onafhankelijke deskundige en concludeerde dat de WIA-uitkering niet herleeft omdat de arbeidsongeschiktheid niet is toegenomen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op herleving van de WIA-uitkering wegens ontbreken van toegenomen arbeidsongeschiktheid.