ECLI:NL:CRVB:2018:2474
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens ontbreken toegenomen beperkingen
Appellant, voormalig magazijnmedewerker, kreeg vanaf 12 maart 2012 een WIA-uitkering wegens 80-100% arbeidsongeschiktheid, welke per 12 april 2014 werd ingetrokken omdat de arbeidsongeschiktheid toen minder dan 35% bedroeg. Appellant meldde zich op 12 december 2014 met vermeende toegenomen klachten, waarna het UWV medisch onderzoek verrichtte. De verzekeringsarts concludeerde dat er geen sprake was van toegenomen beperkingen en handhaafde de intrekking van de uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat appellant geen nieuwe medische stukken had overgelegd ter onderbouwing van zijn stellingen. In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn lichamelijke en psychische klachten zijn toegenomen en overhandigde hij een brief van een klinisch geriater uit 2017, maar het UWV stelde dat deze brief geen betrekking had op de relevante datum van 1 juli 2014.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het medisch onderzoek adequaat en zorgvuldig is uitgevoerd en dat de conclusies van de verzekeringsartsen juist zijn. De nieuwe medische stukken betreffen een latere datum en geven geen aanleiding tot herziening. Het verzoek tot benoeming van een onafhankelijke psychiater wordt afgewezen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens het ontbreken van toegenomen beperkingen.