Uitspraak
16 december 2020, 20/1016 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant trad in maart 2017 in dienst bij een werkgever en meldde zich in maart 2019 ziek met rugklachten. De werkgever schortte de loonbetaling op en beëindigde het dienstverband per juli 2019 vanwege het niet reageren van appellant op oproepen. Appellant vroeg in september 2019 een WW-uitkering aan, maar trok deze later in omdat hij ziek uit dienst was gegaan. Het UWV weigerde vervolgens de Ziektewetuitkering blijvend geheel wegens het plegen van een benadelingshandeling, omdat appellant niet tijdig verweer had gevoerd tegen zijn ontslag.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het niet voeren van verweer binnen de wettelijke termijn een benadelingshandeling is die appellant volledig kan worden verweten. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij door onjuiste informatie en een gezondheidscrisis niet tijdig juridisch advies kon inwinnen, maar de Raad volgde dit niet.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat appellant op de hoogte was van het ontslag en de noodzaak tot tijdig verweer, maar pas na het verstrijken van de termijn juridische stappen ondernam. Er was geen dringende reden voor het niet tijdig handelen en het UWV had terecht de maatregel van blijvende gehele weigering opgelegd. Het hoger beroep werd dan ook verworpen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de blijvende gehele weigering van de Ziektewetuitkering wegens het niet tijdig voeren van verweer tegen het ontslag.