Appellant heeft op 1 oktober 2019 via de website van het UWV een digitale aanvraag om bijstand ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van Breda. Het college stelde dat appellant slechts een melding had gedaan en dat de aanvraag pas tot stand kwam na ondertekening van een formulier tijdens een intakegesprek waar appellant niet op verscheen.
Het college verklaarde het bezwaar van appellant tegen de afwijzing van zijn aanvraag niet-ontvankelijk omdat volgens het college geen aanvraag was ingediend. De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het digitale formulier dat appellant via de website heeft ingediend moet worden aangemerkt als een aanvraag om bijstand. Het ontbreken van een fysieke handtekening en het niet persoonlijk indienen bij het college vormen geen beletsel voor het bestaan van een aanvraag. Het college heeft nagelaten tijdig op de aanvraag te beslissen en heeft onduidelijk gecommuniceerd over het proces.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en draagt het college op binnen zes weken alsnog een inhoudelijke beslissing te nemen over de aanvraag voor de periode 1 oktober 2019 tot en met 1 december 2019. Tevens wordt een dwangsom opgelegd voor overschrijding van deze termijn. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van reiskosten van de gemachtigde en griffierechten, terwijl overige proceskosten worden afgewezen.