ECLI:NL:CRVB:2022:2260
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek ANW-nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft na het overlijden van haar echtgenoot in 2018 een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) aangevraagd. De Sociale verzekeringsbank (Svb) liet het UWV onderzoeken of zij arbeidsongeschikt was volgens de ANW-criteria. Op basis van dit onderzoek werd vastgesteld dat appellante niet meer dan 45% arbeidsongeschikt was, waarna haar verzoek werd afgewezen.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar na aanvullend verzekeringsgeneeskundig onderzoek bleef de Svb bij haar standpunt. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig en volledig was uitgevoerd en dat de medische informatie van appellante was meegewogen. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen omdat geen toezegging was gedaan dat zij recht had op de uitkering.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, met name over de ernst van haar medische beperkingen zoals borstkanker, hartklachten en astmatische klachten. De Raad oordeelde dat er geen nieuw medisch bewijs was dat aanleiding gaf tot herziening van het oordeel. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde eveneens omdat geen toezegging of concrete verwachting was gewekt. De Raad bevestigde daarom de afwijzing van het verzoek om een nabestaandenuitkering.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van het verzoek om een ANW-nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.