ECLI:NL:CRVB:2022:2229
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na zorgvuldig medisch onderzoek bevestigd
Appellant, laatstelijk productiemedewerker, meldde zich ziek terwijl hij een WW-uitkering ontving. Het UWV kende hem een Ziektewetuitkering toe, die na een eerstejaars beoordeling werd beëindigd omdat hij meer dan 65% van zijn oude loon kon verdienen in andere functies.
Na een nieuwe ziekmelding in januari 2019 en een medisch onderzoek concludeerde het UWV dat appellant niet toegenomen arbeidsongeschikt was en geen recht had op ZW-uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren ingeschat.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn klachten en beperkingen onjuist waren vastgesteld, mede vanwege schouderinjecties en psychische klachten. De Raad oordeelde dat deze medische feiten reeds waren meegewogen en dat nieuw ingebrachte informatie geen ander medisch beeld gaf op de datum in geding.
De Raad bevestigde dat appellant onverminderd in staat is om de bij de eerste beoordeling vastgestelde functies te vervullen en dat het UWV de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellant is terecht beëindigd na een zorgvuldig medisch onderzoek en het hoger beroep wordt verworpen.