Appellant was van 1982 tot 1998 in dienst bij het college en ontving een wachtgelduitkering naast een invaliditeitspensioen. Hij stelde het college aansprakelijk wegens onzorgvuldig handelen, omdat het college het ABP onjuist informeerde over zijn status, wat leidde tot een lagere pensioenuitkering.
De rechtbank verklaarde zich onbevoegd omdat de kwestie privaatrechtelijk van aard is. De Centrale Raad bevestigt dit en stelt dat de beslissing van het college geen besluit in de zin van de Awb is. Het college had het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk moeten verklaren.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk. Tevens veroordeelt de Raad het college tot vergoeding van de door appellant gemaakte proceskosten, waarbij een deel van de reiskosten wordt erkend en andere kosten worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.