Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2022:2199

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 oktober 2022
Publicatiedatum
13 oktober 2022
Zaaknummer
21 / 2779 JW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang bij jeugdhulpvoorziening

Appellante, een minderjarige die met haar verstandelijk beperkte moeder in een zorginstelling woont, verzocht het college van burgemeester en wethouders van Berkelland om een persoonsgebonden budget voor jeugdhulp over de periode van 28 juli 2017 tot 1 december 2017. Het college wees dit verzoek af, waarna appellante bezwaar maakte en vervolgens in beroep ging tegen de afwijzing.

De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang, omdat de gevraagde jeugdhulp betrekking had op een periode die al was verstreken en appellante inmiddels in een andere gemeente woont met een gewijzigde situatie. Ook was niet aannemelijk dat appellante schade had geleden door het besluit.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat procesbelang vereist dat het resultaat van het beroep daadwerkelijk kan worden bereikt en betekenis heeft voor de indiener. Omdat appellante geen toekomstig belang had en geen schade aannemelijk maakte, was het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees een veroordeling in proceskosten af.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

Uitspraak

21.2779 JW

Datum uitspraak: 12 oktober 2022
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 25 juni 2021, 20/1624 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Berkelland (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. D. van der Wal, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift en een stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2022. Namens appellante zijn verschenen zijn oma [naam oma] en mr. Van der Wal. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R.H.W. Gijsbers.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante is geboren op [geboortedatum] 2012. Zij woont samen met haar verstandelijk beperkte moeder in de zorginstelling [naam zorginstelling] . Deze zorgboerderij is opgericht door de grootouders en oom van appellante. Per 1 december 2017 is appellante met [naam zorginstelling] meeverhuisd van [plaatsnaam 1] (gemeente Berkelland) naar [plaatsnaam 2] (gemeente Midden-Drenthe). Daarna is appellante meeverhuisd naar [woonplaats] (gemeente Stadskanaal).
1.2.
Namens appellante heeft haar moeder zich op 21 maart 2018 tot het college gewend met een verzoek om een voorziening voor jeugdhulp op grond van de Jeugdwet (Jw). Appellante heeft verzocht om een persoonsgebonden budget (pgb) voor begeleid wonen en ambulante begeleiding voor de periode van 28 juli 2017 tot 1 december 2017.
1.3.
Bij besluiten van 28 juni 2018 en 17 juli 2018 heeft het college deze aanvraag afgewezen.
1.4.
In bezwaar heeft Ausems Kerkvliet op verzoek van het college op 19 juni 2019 medisch advies uitgebracht.
1.5.
Bij besluit van 5 februari 2020 (bestreden besluit) heeft het college zich onder verwijzing naar het advies van Ausems Kerkvliet op het standpunt gesteld dat de situatie van appellante geen aanleiding geeft voor het toekennen van jeugdhulp over de gevraagde periode.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat procesbelang ontbreekt.
3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In geschil is of de rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.
4.2.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 8 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:887) is pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een periode die al verstreken is, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade als gevolg van de besluitvorming is geleden.
4.3.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat procesbelang ontbreekt. Vaststaat dat sprake is van een periode die al verstreken is. Daarnaast is niet gebleken dat een inhoudelijk oordeel van belang kan zijn voor een toekomstige periode, nu appellante inmiddels in een andere gemeente woont en haar situatie ook overigens inmiddels is gewijzigd. Verder acht de Raad het op voorhand onaannemelijk dat appellante schade heeft geleden als gevolg van het bestreden besluit. Dit blijkt ook niet uit de in beroep overgelegde stukken, die niet zien op jeugdhulp op grond van de Jw. Niet is gebleken dat appellante kosten heeft gemaakt, dan wel dat een betalingsverplichting vanwege geleverde jeugdhulp is ontstaan.
4.4.
Uit wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en D. Hardonk-Prins en A.T. Marseille als leden, in tegenwoordigheid van R. van Doorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2022.
(getekend) J. Brand
(getekend) R. van Doorn