ECLI:NL:CRVB:2022:2198

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 oktober 2022
Publicatiedatum
13 oktober 2022
Zaaknummer
22 / 246 AKW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7a AKW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag dubbele kinderbijslag wegens ontbreken intensieve zorg

Appellante heeft op 10 december 2019 een aanvraag ingediend voor dubbele kinderbijslag voor haar dochter, die meerdere gezondheidsproblemen heeft. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af op basis van een medisch advies van het CIZ en het Beoordelingskader BUK, omdat de dochter geen intensieve zorg nodig zou hebben zoals vereist in artikel 7a van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).

De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, stellende dat uit het CIZ-advies geen aanwijzingen blijken dat de dochter in ernstige mate meer zorg nodig heeft. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de dochter autisme heeft en dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij geen astma heeft, en dat de intensieve zorgbehoefte niet is erkend.

De Raad constateerde dat de rechtbank onterecht het oudere CIZ-advies van september 2019 had beoordeeld in plaats van het advies van juni 2020, maar dit gebrek leidde niet tot vernietiging van de uitspraak. De Raad vond onvoldoende aanknopingspunten om de zorgscore van nul punten onjuist te achten en concludeerde dat de diagnose autisme niet gesteld kan worden op basis van het psychodiagnostisch onderzoek. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de afwijzing van de dubbele kinderbijslag bevestigd.

Uitkomst: De aanvraag voor dubbele kinderbijslag wordt afgewezen wegens het ontbreken van intensieve zorg.

Uitspraak

22.246 AKW

Datum uitspraak: 12 oktober 2022
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 november 2021, 20/4787 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2022. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Stahl-de Bruin.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante heeft op 10 december 2019 bij de Svb een aanvraag voor dubbele kinderbijslag ingediend op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) voor haar dochter [naam dochter]. [naam dochter] is geboren op [geboortedatum] 2010 en is bekend met een angststoornis, hypermobiliteit, ples planus, astma, eczeem en diverse allergieën.
1.2.
De Svb heeft bij besluit van 5 maart 2020, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 31 juli 2020 (bestreden besluit), deze aanvraag afgewezen. De Svb heeft hieraan een medisch advies van CIZ van 15 juni 2020 en het Beoordelingskader BUK (beoordelingskader) ten grondslag gelegd. [naam dochter] heeft geen intensieve zorg als bedoeld in artikel 7a van de AKW nodig en daarom wordt niet voldaan aan de voorwaarden voor dubbele kinderbijslag. Na heroverweging in bezwaar is haar zorgscore op de peildatum 1 oktober 2019 vastgesteld op nul punten, terwijl voor haar op die datum gezien haar leeftijd (negen jaar) een minimale zorgscore van vier punten is vereist.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover van belang, overwogen dat uit het CIZadvies van 16 september 2019 niet is gebleken dat [naam dochter] op een van de functies in ernstige mate meer zorg nodig heeft. In wat appellante heeft aangevoerd, ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de zorgscore onjuist zou zijn.
3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat [naam dochter] autisme heeft, ondanks dat deze diagnose niet is gesteld. Bovendien heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat niet is gebleken dat [naam dochter] astma heeft. De rechtbank heeft niet onderkend dat [naam dochter] intensieve zorg nodig heeft.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellante heeft terecht aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [naam dochter] geen astma heeft. De rechtbank heeft namelijk ten onrechte het CIZ-advies van 16 september 2019 beoordeeld, terwijl aan het bestreden besluit het medisch advies van CIZ van 15 juni 2020 ten grondslag is gelegd. Dit gebrek leidt echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. De rechtbank is namelijk wel terecht tot het oordeel gekomen dat de Svb zich op het standpunt heeft mogen stellen dat [naam dochter] geen intensieve zorg als bedoeld in artikel 7a van de AKW nodig heeft. In wat appellante heeft aangevoerd ziet de Raad onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de door de Svb op basis van het medisch advies van 15 juni 2020 getrokken conclusie over de zorgscore voor [naam dochter] onjuist is. Het in beroep overgelegde verslag van een psychodiagnostisch onderzoek van 10 december 2020 leidt niet tot een ander oordeel. Anders dan appellante heeft betoogd, volgt ook uit dit verslag dat de diagnose autisme niet kan worden gesteld.
4.2.
Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins als voorzitter en B.J. van de Griend en A.E. Dutrieux als leden, in tegenwoordigheid van E.J. van der Veldt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2022.