ECLI:NL:CRVB:2022:2144
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens niet-betaling griffierecht ongegrond verklaard
Appellanten hadden hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, maar dit hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat zij het griffierecht niet hadden betaald. Appellanten maakten bezwaar tegen deze niet-ontvankelijkverklaring en dienden verzet in. Tijdens de zitting op 25 augustus 2022 verschenen zij, terwijl het dagelijks bestuur van de Regionale Dienst Werk en Inkomen niet vertegenwoordigd was.
Appellanten voerden aan dat de wijze van beoordeling van hun inkomen bij de berekening van de griffierechtsvrijstelling onjuist was en dat de Raad bij eerdere verzoeken ten onrechte uitging van hun gezamenlijk inkomen in plaats van de individuele situatie. Tevens verzochten zij het dagelijks bestuur om bijzondere bijstand voor betaling van griffierechten.
De Raad stelde vast dat appellanten ten tijde van de uitspraak van 26 april 2022 het griffierecht niet hadden betaald en dat zij niet binnen de gestelde termijn aannemelijk hadden gemaakt dat zij het griffierecht niet tijdig konden voldoen. De Raad oordeelde dat het griffierecht in het algemeen de toegang tot de rechter niet belemmert, tenzij sprake is van onvoldoende financiële draagkracht, hetgeen niet aannemelijk was gemaakt. De argumenten van appellanten over de berekeningswijze van het griffierecht werden reeds eerder verworpen. Het verzoek om bijzondere bijstand moest bij het dagelijks bestuur worden ingediend. Daarom werd het verzet ongegrond verklaard en werden appellanten geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het verzet van appellanten tegen de niet-ontvankelijkverklaring van hun hoger beroep wegens niet-betaling van griffierecht wordt ongegrond verklaard.