ECLI:NL:CRVB:2018:3236
Centrale Raad van Beroep
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen niet-ontvankelijkheid verzoek herziening griffierecht in sociale zekerheidszaak
Verzoekers hebben een verzoek tot herziening ingediend dat niet-ontvankelijk werd verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wegens betalingsonmacht werd eerder afgewezen omdat niet aan de criteria werd voldaan.
In het verzet stellen verzoekers dat het gehanteerde criterium niet correct is toegepast en dat dit leidt tot schending van het recht op toegang tot de rechter zoals beschermd door artikel 6 EVRM Pro. Zij pleiten voor toepassing van het criterium van de beslagvrije voet.
De Raad verwijst naar zijn eerdere uitspraak van 13 februari 2015 waarin is bepaald dat bij onvoldoende financiële draagkracht vrijstelling van griffierecht mogelijk is, mits het netto-inkomen minder is dan 90% van de bijstandsnorm voor een alleenstaande en er geen vermogen is om het griffierecht te betalen.
Omdat verzoekers bijstand ontvangen naar de gehuwdennorm en niet individueel, is het criterium van de beslagvrije voet niet van toepassing. De Raad handhaaft het eerdere oordeel en verklaart het verzet ongegrond. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek om herziening wordt ongegrond verklaard.