Uitspraak
21.362 WSF
H. Bouhuys.
OVERWEGINGEN
(bestreden besluit), heeft de minister de aan appellante toegekende eenoudertoeslag herzien.
Centrale Raad van Beroep
Appellante had voor de periode van 1 september 2016 tot 1 september 2018 een eenoudertoeslag toegekend gekregen op grond van de Wet studiefinanciering 2000. De minister herzag dit besluit in 2019 omdat bleek dat appellante sinds 5 juni 2014 gehuwd was en daarmee niet voldeed aan de voorwaarden voor eenoudertoeslag.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze herziening ongegrond, stellende dat zij niet als studerende zonder partner kon worden aangemerkt volgens artikel 3.5, eerste lid, Wsf 2000. Persoonlijke omstandigheden die appellante aanvoerde om niet samen te wonen met haar echtgenoot konden dit niet wijzigen. Tevens werd het beroep op het vertrouwensbeginsel verworpen omdat niet kon worden vastgesteld of er toezeggingen waren gedaan door DUO-medewerkers.
In hoger beroep heeft appellante deze standpunten herhaald, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef de eerdere beoordeling. De minister was bevoegd tot herziening en hoefde geen rekening te houden met duurzaam gescheiden leven binnen het partnerbegrip. Het bewijsrisico voor onjuiste telefonische voorlichting lag bij appellante, die dit niet kon aantonen.
De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en wees een veroordeling in proceskosten af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de eenoudertoeslag en wijst het hoger beroep af.