ECLI:NL:CRVB:2022:2115
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken spoedeisend belang bij terugvordering bijstand
Verzoekers ontvingen bijstand over meerdere perioden, waarvan het college de bijstand over twee perioden introk en de kosten tot €13.088,97 terugvorderde vanwege schending van de inlichtingenplicht. Dit besluit werd onherroepelijk verklaard. De aflossingscapaciteit van verzoekers was aanvankelijk nihil, maar na heronderzoek op grond van de Wet Vereenvoudiging Beslagvrije voet stelde het college de maandelijkse aflossing vast op €50.
De voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Verzoekers gingen in hoger beroep en vroegen opnieuw om een voorlopige voorziening om de aflossingscapaciteit op nihil te stellen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de enkele stelling dat verzoekers onder het bestaansminimum leven onvoldoende is om een spoedeisend belang aan te nemen. Uit een brief van de gemeente bleek dat verzoekers sinds 1 januari 2022 hun aflossingsverplichting konden nakomen. Er was geen zwaarwegend belang dat onmiddellijke voorziening rechtvaardigde, zodat het verzoek werd afgewezen.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter E.J.M. Heijs op 28 september 2022.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.