ECLI:NL:CRVB:2022:2062
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag ambtenaar wegens plichtsverzuim en gebrek aan openheid
Appellant was sinds 4 maart 2019 in tijdelijke dienst bij de Penitentiaire Inrichting (PI) en werd verdacht van ernstig plichtsverzuim. Op 8 juli 2019 werd hem de toegang tot de werkplek ontzegd vanwege een concrete verdenking van plichtsverzuim, waaronder het niet melden van contacten met politie en justitie en verboden contacten met een gedetineerde.
Na een disciplinair onderzoek en het horen van appellant verleende de minister op 4 december 2019 ontslag wegens houding en gedrag waarbij betrouwbaarheid, openheid en professionaliteit ontbraken. Appellant maakte bezwaar, dat door de minister ongegrond werd verklaard. De rechtbank bevestigde dit besluit, waarna appellant in hoger beroep ging.
De Raad oordeelde dat de toegang tot de werkplek terecht was ontzegd gezien de concrete verdenking. Hoewel appellant stelde dat hij niet verplicht was eerdere contacten met politie te melden, oordeelde de Raad dat hij onvoldoende openheid van zaken gaf over deze contacten, de bezoeken aan de gedetineerde buurjongen en het gebruik van een nieuw telefoonnummer. Dit vormde een redelijke grond voor ontslag.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het ontslag van appellant wordt bevestigd.