ECLI:NL:CRVB:2022:1986
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering en weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende wachttijd
Appellant was werkzaam als bezorger en meldde zich ziek met fysieke klachten. Het UWV kende hem een Ziektewet-uitkering toe, die na een eerstejaarsbeoordeling werd voortgezet. Een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige stelden vast dat appellant met beperkingen 100% van zijn maatmaninkomen kon verdienen, waarna het UWV de Ziektewet-uitkering beëindigde en een WIA-uitkering weigerde vanwege het niet voltooien van de wachttijd.
Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, stellende dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en zijn beperkingen waren onderschat. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de medische onderzoeken zorgvuldig waren uitgevoerd en dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld. De arbeidsdeskundige had de geschikte functies gemotiveerd.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde dat het UWV voldoende medische informatie had en dat de beperkingen objectief waren vastgesteld door deskundigen. Ook de berekening van de verdiencapaciteit was juist. Omdat appellant de wachttijd voor de WIA niet had doorlopen, was de weigering van de WIA-uitkering terecht.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Ziektewet-uitkering terecht is beëindigd en de WIA-uitkering terecht is geweigerd wegens het niet volbrengen van de wachttijd.