ECLI:NL:CRVB:2022:1955
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens ontbreken privaatrechtelijke dienstbetrekking
Appellant was van september 1994 tot augustus 1995 werkzaam bij een stichting en vroeg in 2017 een WIA-uitkering aan wegens arbeidsongeschiktheid vanaf mei 1995. Het UWV wees de aanvraag af omdat appellant niet verzekerd was voor de Wet WIA en geen dienstverband had. In bezwaar en beroep bracht appellant loonstroken en medische stukken in, maar kon niet aantonen dat hij een privaatrechtelijke dienstbetrekking had of de vereiste wachttijd van 52 weken arbeidsongeschiktheid had doorlopen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet de vraag naar het dienstverband onbeantwoord omdat appellant de wachttijd niet had voldaan. In hoger beroep handhaafde het UWV dit standpunt en stelde dat appellant geen bewijs had geleverd van een arbeidsovereenkomst, gezagsverhouding of loonbetaling. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende stukken had overgelegd om de rechtsverhouding aan te tonen en dat de enkele verwijzing naar een Melkertbaan-uitspraak onvoldoende was.
Daarnaast ontbraken gegevens over doorlopende arbeidsongeschiktheid van 52 weken na mei 1995. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verwierp het beroep van appellant. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin en uitgesproken op 8 september 2022.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens ontbreken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking en niet voldoen aan de wachttijd.